tvcn Tolk - en Vertaalcentrum Nederland

Vragen of tolk reserveren?

Bel: 088 255 52 22

Wanneer spreek je een taal vloeiend?

  • Geplaatst door TVCN |
  • 29-08-2017

Ben je tweetalig, drietalig of meertalig? Of ben je een polyglot of hyperpolyglot? Of misschien beheers je nog maar één taal maar streef je ernaar om andere talen te leren. Maar wanneer ben je nou echt vloeiend in een taal? Als je je goed kunt redden in jouw favoriete vakantieland of pas wanneer je zonder nadenken kunt deelnemen aan elk gesprek?

Als je één of meerdere vreemde talen spreekt, dan is je vast wel een gevraagd hoeveel talen je spreekt. Best een uitdagende vraag om te beantwoorden want het is zelden zo simpel als ‘ik spreek drie talen’. Het komt waarschijnlijk eerder neer op: ‘Ik spreek vrij vloeiend Engels, heb gemiddelde kennis van het Frans en een conversatievermogen in het Duits.’ Betekent dat dan je echt drie talen spreekt of dat je alleen kennis hebt van drie talen?

Wat betekenen beschrijvingen als vrij vloeiend, gemiddelde kennis en conversatievermogen echt? Dat is de kern van de vraag wanneer iemand probeert te beschrijven hoeveel talen hij of zij kent. Het hele gebied van taalkennis is vrij subjectief en losjes gedefinieerd. Neem het woord vloeiend. Betekent dit dat we alles kunnen zeggen wat we willen en dat we alles wat we lezen of horen begrijpen?

Het is vrij veilig om te veronderstellen dat lezers van deze blog vloeiend in het Nederlands zijn, omdat het hun moedertaal is of omdat ze een hoog opleidingsniveau in de taal hebben behaald. Dat betekent echter niet dat iemand die vloeiend is, het Nederlandse woord voor elk object of concept kent. Het is zelfs moeilijk om de grootte van een woordenschat van een opgeleide volwassene te definiëren. Schattingen variëren, maar het komt er op neer dat de actieve woordenschat 18.000 tot 20.000 is en nog eens een passieve woordenschat van 15.000 tot 20.000 woorden. Een passieve woordenschat houdt in dat een persoon woorden herkent en een zekere mate van begrip en kennis heeft van woorden, maar deze zelf niet actief gebruikt in eigen spraak.

Kan iemand met een woordenschat van 3.000 tot 5.000 zeggen dat hij vloeiende is in die taal? Hoe definiëren we een mate van taalkennis en spreekvaardigheid?

Europees referentiekader
De Raad van Europa heeft hiervoor tussen 1989 en 1996 het Gemeenschappelijk Europees referentiekader samengesteld, meestal alleen Europees referentiekader genoemd. Het is een richtlijn voor verschillende Europese talen om het niveau van taalbeheersing te beoordelen. Daarbij worden de mondelinge en de schriftelijke vaardigheid beoordeeld. Het kader telt zes niveaus, waarin examen kan worden gedaan. Het Europees Referentiekader wordt ook gebruikt in de Wet inburgering die in Nederland sinds 1 januari 2007 geldt. Inburgeringsplichtigen moeten sindsdien zorgen dat ze Nederlands kunnen verstaan, spreken, lezen en schrijven op A2-niveau.

De vaardigheden die iemand voor de verschillende niveaus moet beheersen zijn:

  • Luistervaardigheid
  • Leesvaardigheid
  • Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid
  • Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

A - Basisgebruiker
A1 Doorbraak: iemand kan op een eenvoudige manier interacteren door eenvoudige vragen over zeer bekende onderwerpen te stellen en te beantwoorden, mits de andere persoon langzaam en duidelijk spreekt en bereid is om te helpen.

A2 Tussenstap: iemand kan communiceren in eenvoudige, korte sociale uitwisselingen die een eenvoudige, directe uitwisseling van informatie over bekende onderwerpen en activiteiten vereisen.

B - Onafhankelijke gebruiker
B1 Drempel: iemand kan onvoorbereid deelnemen aan gesprekken over onderwerpen die bekend zijn, waarvoor een persoonlijke interesse is of die relevant zijn voor het dagelijkse leven.

B2 Uitzicht: iemand kan met een mate van spontaniteit een actieve rol spelen in gesprekken in bekende contexten, wat regelmatige interactie met moedertaalsprekers mogelijk maakt.

C - Vaardige gebruiker
C1 Effectieve operationele vaardigheid: iemand kan spontaan ideeën en meningen nauwkeurig formuleren voor sociale en professionele doeleinden zonder duidelijk te hoeven na te denken over uitdrukkingen.

C2 Beheersing: iemand kan zonder moeite deelnemen aan elk gesprek, waarbij fijnere betekenisintensiteiten nauwkeurig worden overgedragen met een goede vertrouwdheid van idiomatische uitdrukkingen en spreektaal.

De C-categorie vertegenwoordigt dus dat wat voor vloeiend doorgaat. B1 is een goede eerste doelstelling voor wanneer je een nieuwe taal leert of een eerder geleerde taal wilt opfrissen. En wil je je enkel kunnen redden in jouw favoriete vakantieland, dan kom je ook al een eind met A2.